Zijn er dogma’s in verandering?


Ik ken weinig veranderaars, mijzelf meegerekend, die zichzelf dogmatisch zouden noemen. De Van Dale omschrijft een dogma immers als ‘een vastomlijnde, aan geen beredenering meer onderworpen leerstelling’ en verandering drijft juist op het tegenovergestelde: het tegemoet treden van elke nieuwe situatie met een onderzoekende geest.

Toch worden er in de hitte van het gesprek over veranderingen vaak genoeg stellingen gebezigd die een dogmatische indruk wekken. Dat prikkelde mijn nieuwsgierigheid of er over verandering uitspraken te doen zijn die ‘zelf-evident’ zijn: dus die in elke situatie waar zijn én geen redenering meer nodig hebben. Ik zag vier gebieden om in te zoeken.

Het veranderproces als dogma

‘Je moet mensen motiveren/verleiden/inspireren/betrekken – je moet de dialoog aangaan – je moet een plan/doel/visie hebben – je moet urgentiebesef creëren – je moet een verandering opknippen in zes (zeven, acht, vijf) stappen of fasen’.

Het lijkt me duidelijk dat dit geen dogma’s (mogen) zijn: geen van deze uitspraken is in elke situatie waar. Er zijn situaties waarin het motiveren of verleiden van mensen tenenkrommend is, waarin het betrekken van mensen neerkomt op het aan de kalkoenen vragen wat we eten met kerst, waarin de condities voor een dialoog nog niet aanwezig zijn, waarin er ook progressie wordt gemaakt zonder een plan, doel of visie, waarin het creëren van urgentiebesef de minst passende interventie is, en waarin je bij stap 1 nog helemaal niet kunt weten wat stap 4 gaat zijn.

Veranderen als dogma

‘Stilstand is achteruitgang – we moeten innoveren – we moeten bij de tijd blijven – het kan altijd beter’

Ik zou in deze veranderende tijden geen enkele organisatie aanbevelen deze stellingen te lang te negeren. Toch smeken ze om relativering. Er zijn genoeg situaties aan te wijzen waarin stilstand te verkiezen is boven bewegen/veranderen/innoveren/verbeteren: om te koesteren wat er is, om je te verwonderen, om op adem te komen, om te genieten van elkaars gezelschap of om te herdenken wat er geweest is. In alle andere situaties geven de stellingen nog geen enkele richting. Niet alles zal immers hoeven te veranderen en niet elke verandering is bij voorbaat beter dan niet veranderen.

Het leiderschap van de veranderaar als dogma

‘Je moet authentiek/dienend/empathisch/samenbindend/transparant/eerlijk zijn – je moet je kwetsbaar opstellen – je moet je intuïtie volgen – je moet voorbeeldgedrag tonen’.

Deze categorie kostte me de nodige hoofdbrekens. Ik kon bij elk van deze leiderschapskenmerken situaties bedenken waarin ze juist disfunctioneel uitpakken; waarin authenticiteit doorslaat naar onaangepastheid, waarin veranderaars koketteren met hun kwetsbaarheid, waarin empathie verwordt tot een verstikkende warme deken en waarin voorbeeldgedrag de ander belemmert om zijn eigen stijl te vinden. Ze zijn dan dus geen algemeen geldige waarheid, zou je zeggen. Maar vervolgens zou je de tegenwerping kunnen doen dat je die disfunctionele uitingsvormen geen ‘authenticiteit/kwetsbaarheid/empathie/voorbeeldgedrag’ meer mag noemen.

Ik heb me afgevraagd waarom die tegenwerping me buikpijn oplevert. Het probleem zit ‘m in de logica. Als je een stelling over goed leiderschap neerlegt en je bakent de definitie van dat leiderschap bij voorbaat af tot wat ‘goed’ is, dan zit er blijkbaar nog een diepere norm onder verborgen. We zijn dus nog niet klaar met redeneren.

De ander als dogma

Tijdens het schrijven van mijn boek Jongleren met loyaliteiten (2010) was ik op zoek naar een ethische leidraad voor situationeel leiderschap, en vond die in het gedachtengoed van Immanuel Kant (1785):

‘De ander mag niet slechts een middel zijn om je doelen te verwezenlijken, maar is ook altijd een doel op zichzelf’*

Volgens mij hebben we hier die diepere norm te pakken. Ik kan geen situaties bedenken waarin deze stelling niet opgaat. Ook als ik me genoodzaakt voel de ander zwaar te benadelen om de belangen van een derde of van mezelf te beschermen, vind ik dat ik de morele plicht heb om de ander als medemens onder ogen te komen. Zelfs als de ander het zelf met dit principe niet zo nauw genomen heeft.

Met de stelling dat elk mens een doel op zichzelf is, en alle mensen dus in dat opzicht gelijk zijn, ben ik op een punt gekomen dat ik hem niet meer kan beredeneren: ik vind dat gewoon.

En dus moet ik concluderen: ik heb een dogma.

Annemarie Mars, februari 2015

*Paragraaf 6.3: Over de ethiek van veranderen, bladzijde 94 (en noot 2 op bladzijde 100) en Paragraaf 8.1: Situationeel leiderschap met een ethisch richtsnoer, bladzijde 118.

Abonneer je hier op mijn @rtikelenreeks

Tien keer per jaar zoek ik naar antwoorden op een prangende vraag over verandering.

Mijn @rtikelenreeks in je mailbox ontvangen? Meld je hieronder aan door op de button te klikken

(En vanaf november 2018 zijn de @rtikelen ook in het Engels te lezen)

Klik hier om te abonneren