Moet je de beste willen zijn?


Het is een ambitie die je in organisaties regelmatig tegenkomt: de beste zijn. De ranglijstjes aanvoeren. De Champions League bereiken.

Ik gun iedere organisatie het gevoel van euforie als de erkenning komt dat je de beste bent. Maar ik zou niet snel adviseren om het als veranderambitie te kiezen. De paradox is namelijk: hoe meer je ernaar streeft om het te zijn, hoe minder het je zal lukken om het te worden.

Daar zijn vier redenen voor.

Meetproblemen

In de sport is kristalhelder hoe je bepaalt wie de beste is, maar in organisaties trek je een beerput van taaie discussies open. Want wanneer ben je de beste? Wie bepaalt dat? En met welke indicatoren? Doen die recht aan de complexiteit van het werk? En wat als er meerdere ranglijstjes zijn die allemaal iets anders meten? Of als er telkens nieuwe lijstjes bijkomen?

Weerstand

Het is goed mogelijk dat de behoefte om de beste te zijn in de hele organisatie wordt gedeeld. Maar dat is -met name- bij bevlogen en eigenwijze vakmensen niet vanzelfsprekend. Zij worden vaak meer gedreven door de behoefte hun vak goed uit te oefenen en hun klanten* goed te helpen.

De ambitie om de beste te zijn leidt dan vooral tot weerstand.

Zelfgenoegzaamheid

Eigenlijk is het ergste dat je kan overkomen dat het je nog lukt ook. Dat je onbetwistbaar de nummer 1 bent. Dat iedereen in de sector met ontzag over je spreekt. Dat je op congressen mag komen vertellen hoe het succes je deel is geworden.

Want wat blijft er dan nog over om naar te streven?

Als je de beste wilt zijn, en je het ook nog bent, staat de deur open naar zelfgenoegzaamheid. Dat is als stilstaand water; op enig moment gaat het stinken. Krijg dat water maar eens snel genoeg weer in beweging zodra duidelijk wordt dat het bij de concurrentie* wel gewoon is blijven stromen en ze je triomfantelijk voorbij varen.

De arena

In die metafoor van het ‘voorbij varen’ ligt het diepere probleem. Want door de beste te willen zijn, plaats je jezelf in een arena waarin je met meerdere tegenstanders aan het strijden bent om de gunst van de klant.

De energie die je in de arena besteedt aan het je opwinden over je tegenstanders zal ten koste gaan van je aandacht voor die klant. Die zal bij je voelen dat je je –hoe subtiel ook- tegen je concurrenten aan het afzetten bent. Terwijl dat voor hem alleen maar afleidt van zijn eigen vraag.

Als het je concurrent wel lukt om zijn aandacht voluit te richten op de klant, zal die precies doen waar je bang voor bent. Hij zal niet voor jou kiezen. De ambitie om de beste te willen zijn is dan een self denying prophecy.

Tenslotte

Elke organisatie doet er goed aan regelmatig te kijken wat zijn concurrenten doen. Het houdt je alert op je eigen blinde vlekken, op nieuwe richtingen en schuivende panelen. Sterker nog, als je nooit kijkt naar wat je concurrenten doen, zet je de deur naar zelfgenoegzaamheid net zo goed open.

Maar je zou niet naar je concurrenten moeten kijken omdat je de beste wilt zijn, maar omdat je voor je klanten op je allerbest wilt zijn.

Annemarie Mars, november 2018

* In plaats van ‘klant’ mag je ook ‘cliënt, student, lid, patiënt, inwoner, leerling, bewoner, justitiabele, deelnemer, opdrachtgever, doelgroep, etc’ lezen. En in plaats van ‘concurrenten’ ‘soortgenoten’.

Abonneer je hier op mijn @rtikelenreeks

Tien keer per jaar zoek ik naar antwoorden op een prangende vraag over verandering.

Mijn @rtikelenreeks in je mailbox ontvangen? Meld je hieronder aan door op de button te klikken

(En vanaf november 2018 zijn de @rtikelen ook in het Engels te lezen)

Klik hier om te abonneren