Is verandermanagement passé?

Eén van de weinige zekerheden in dit leven, naast de aanwezigheid van de zwaartekracht, is dat hetgeen vandaag ‘in’ is, morgen weer ‘uit’ is. Het vakgebied verandermanagement staat de laatste jaren dermate in de belangstelling dat de vraag zich voordoet of we ook hier met een modeverschijnsel, een hype, te maken hebben die dus ook weer overgaat.

Voor mij als ‘beroepsveranderaar’ is dat geen onbelangrijke vraag. Voor het eerst in deze reeks heb ik zelf belang bij het antwoord. Dat beseffende waag ik toch een poging. (meer…)

Lees meer →

Hoe borg je een verandering?

Een risico van veranderingen is dat ze gaandeweg verwateren. Na een voortvarende start valt de organisatie sluipenderwijs terug in het patroon waarvan juist de bedoeling was om er weg van te komen. Om die reden hechten we binnen verandermanagement veel waarde aan borging. De van Dale omschrijft dat als ‘beschermen tegen verwateren’.

Dus ben ik voor het blog van deze maand op zoek gegaan naar de vraag hoe je een verandering borgt.

Borging door verankering

Als we het woord borging gebruiken, bedoelen we daar soms mee dat we de organisatie willen herijken aan de verandering. We noemen dat ook wel verankeren. Als de inrichting van de organisatie immers niet mee verandert, zal hij het oude gedrag in stand houden en het nieuwe gedrag dwarszitten. In mijn vroegere werkkring gebruikten we voor die valkuil ook wel de formule:

‘nieuwe systemen + oude organisatie = dure oude organisatie’

Alleen door zowel de harde kant van de organisatie (structuur, besturing, systemen) als de zachte kant (leiderschap, vaardigheden, cultuur) te herijken aan de verandering kun je het gewenste gedrag duurzaam ondersteunen.

Borging door verbinding

De ultieme bescherming tegen verwatering ligt natuurlijk niet alleen in de inrichting van de organisatie, maar vooral in de mensen die de verandering tot leven moeten wekken. De beste borging voor een verandering is hun verbinding. Als mensen de verandering begrijpen, als ze in staat zijn het gewenste gedrag te tonen en als ze verantwoordelijkheid nemen voor hun rol daarin, is de kans het grootst dat ze het doen en dat ze het blijven doen als de situatie erom vraagt. Om die verbinding te stimuleren wijs ik in mijn boek ‘Hoe krijg je ze mee?’ vijf krachten aan: urgentie, ambitie, planning, interactie en leiderschap.

Het is een valkuil om borging in deze betekenis als laatste fase van een verandering te beschouwen. Alsof verandering ook nog iets anders is dan borging. Als je de verandering eerst helemaal uitdenkt en dan pas aan verbinding gaat werken, zijn de beste mogelijkheden om medewerkers te betrekken en te bereiken gepasseerd.

Borging door nazorg

Juist als je denkt dat het klaar is, zijn veranderingen het meest kwetsbaar. Mensen kunnen zich immers nog onwennig voelen, er kunnen nog kinderziektes spelen en er kunnen onbedoelde neveneffecten optreden. Deze stellen de bereikte verbinding op de proef en dan verwatert de verandering alsnog.

Borging heeft ook dus de betekenis van ‘de vinger aan de pols houden’, totdat duidelijk is dat de organisatie op eigen kracht verder kan zonder weer terug te vallen. In die betekenis kunnen we borging wel zien als de laatste fase van een verandering.

Maar om de vinger aan de pols te houden moet de hartslag al wel op orde zijn gebracht. Anders is het nog te vroeg om de fase van ‘nazorg’ al van toepassing te verklaren.

Borging door regels en handhaving

Als je ziet dat een verandering aan het verwateren is, kan een tegenreactie zijn om regels en richtlijnen op te leggen om het gewenste gedrag alsnog af te dwingen. Als die verwatering het gevolg is van een gebrek aan verbinding, zal de situatie alleen maar verslechteren. Regels kunnen verbinding immers niet compenseren. Ik citeer graag Jaap Peters: “waar regels zijn, is geen aandacht en waar aandacht is, zijn regels niet nodig”*.

Dat wil niet zeggen dat regels helemaal verboden terrein zijn om een verandering te borgen. Er zijn namelijk twee situaties waarin je van medewerkers nieuw gedrag vraagt terwijl je redelijkerwijs niet kunt verwachten dat ze zich eraan zullen verbinden. Ten eerste als dat nieuwe gedrag indruist tegen hun belangen. Ten tweede als regels worden gesteld over werkzaamheden waarvan zij de toegevoegde waarde niet zien, zoals registraties.

Die beide situaties zijn erg vatbaar voor weerstand, die ook de rest van de verandering kan ondermijnen. Je moet dus wel beschikken over een ijzersterke urgentie om dit toch van mensen te vragen.

Annemarie Mars, maart 2014

*Peters, Jaap en Judith Pouw, Intensieve menshouderij, hoe kwaliteit oplost in rationaliteit, Scriptum, 2008

Lees meer →

Hoe kun je een verandering aantrekkelijk maken?

Eén van de vele factoren die bepalen of een verandering kans van slagen heeft, is de aantrekkingskracht die hij op de ander uitoefent. Dat betekent niet dat een voor de ander aantrekkelijke verandering altijd slaagt, noch dat een niet aantrekkelijke verandering altijd tot mislukken gedoemd is. Het betekent wel dat veranderaars alle aantrekkingskracht die ‘erin zit’ eruit zouden moeten halen. En dus doet de vraag zich voor welke mogelijkheden veranderaars daarvoor tot hun beschikking hebben, en onder welke voorwaarden ze effectief zijn.

Ik heb er vier verzameld. (meer…)

Lees meer →

Wanneer werkt bottom up veranderen?

Bottom-up veranderen, de werkwijze waarin de mensen op de werkvloer organisatieveranderingen zelf vormgeven, staat volop in de belangstelling. Dat is niet geheel ten onterechte. Juist op de werkvloer is de expertise en ervaring aanwezig om te zorgen dat veranderingen legitiem, haalbaar en uitvoerbaar zijn. Door medewerkers (mede) aan het stuur te zetten van veranderingen kan eigenaarschap op  natuurlijke wijze ontstaan. Toch betekent dat niet dat deze aanpak in alle situaties zomaar toepasbaar is.

In dit blog verken ik de voorwaarden waaronder bottom-up veranderen effectief kan zijn.

Voorwaarde 1: Als er ruimte is om een inbreng te leveren

Bottom-up veranderen heeft vooral waarde in situaties waar de verandering nog voldoende open ligt om er een stempel op te kunnen drukken. Voor een aanpak waarin de ruimte om een inbreng te leveren substantieel wordt ingeperkt door (top-down) wetgeving en reeds genomen besluiten, is de term bottom-up niet meer van toepassing.

Voorwaarde 2: Als de deelnemers zich reflectief (kunnen) tonen

Een groep kan waarde toevoegen aan veranderingen als de deelnemers in staat zijn om het (eigen) werk aan een kritisch zelfonderzoek te onderwerpen. In een groep waarin dat zelfonderzoek geuit en gedeeld kan worden, kunnen prachtige nieuwe inzichten ontstaan. Er zijn echter nogal wat situaties waarin die reflectie niet van mensen gevraagd kan worden.

De eerste situatie is die waarin de deelnemers de urgentie om te veranderen zelf niet voelen. Dat urgentiegevoel is te activeren door een gezamenlijke (bottom-up) probleemverkenning, maar die kan hen net zo goed bevestigen in de overtuiging dat er geen probleem is, of dat het probleem buiten hun beïnvloedingssfeer ligt.

De tweede situatie is waarin de gestelde vraag weerstand oproept omdat het hun belangen raakt of emoties losmaakt. Emoties (‘ik voel’) en belangen (‘ik wil’) staan reflectie (‘ik onderzoek’) in de weg. Ze dienen eerst erkend en doorgewerkt te worden alvorens een bottom-up aanpak aan de orde zou kunnen zijn.

Mensen zullen, ten derde, niet reflectief zijn als ze, terecht of onterecht, aanvoelen dat hun inbreng zich later tegen hen kan keren. Als een veilige omgeving ontbreekt zal het gesprek blijven hangen in het berijden van stokpaarden en het uitwisselen van zaken waar men het toch al over eens was.

Voorwaarde 3: Als er een gerichte vraag wordt gesteld

In groepen waar aan voorwaarde 1 en 2 is voldaan zal een levendig gesprek ontstaan en dat is precies de bedoeling. Tegelijkertijd liggen in dat levendige gesprek de valkuilen om uit te dijen en af te dwalen voortdurend op de loer. Het belangrijkste instrument om daaraan tegenwicht te bieden is de vraag die aan de groep gesteld wordt. E en open vraag (‘wat is jullie visie op…’) zal dat tegenwicht niet kunnen bieden, een gesloten vraag (‘hebben jullie een voorkeur voor oplossing I of II’) is een te grote beperking van voorwaarde 1. Het vraagt een gerichte vraag (‘welke oplossing is wenselijk voor probleem X…’, ‘hoe kunnen we het beste inspelen op ontwikkeling Y’) om optimaal te balanceren tussen het vrijmaken van denkkracht enerzijds en het kunnen toewerken naar een concrete uitkomst anderzijds.

Een goede vraag gaat vervolgens over het werk voor de klant want daar ligt de expertise, de ervaring en het referentiekader van de deelnemers en als het goed is ligt daar ook de urgentie van de verandering. Managementjargon zou in de vraagstelling dus niet voor mogen komen. In de vraagstelling mag vervolgens geen enkel oordeel, hoe subtiel ook, verborgen zitten waardoor de deelnemers zich in de verdediging gedrukt zouden kunnen voelen. Want dan valt voorwaarde 2 weg. En uiteraard geldt bij een goede vraag dat er voelbaar moet zijn dat degene die hem stelt daadwerkelijk geïnteresseerd is in het antwoord, want daarmee toont zich voorwaarde 1.

Voorwaarde 4: Als een vernieuwende impuls wordt ingebracht

Met voorwaarde 1, 2 en 3 schep je optimale condities om uit de groep ‘te halen wat erin zit’. Maar wat er niet in zit, komt er ook niet uit. En wat erin zit is soms deel van het probleem dat tot de verandering noodzaakt. In beide gevallen is de uitkomst van de bottom-up aanpak: meer van hetzelfde.

Er zijn meerdere mogelijkheden om die valkuil te voorkomen zonder het kind met het badwater weg te gooien. Het voeden van de deelnemers met expertise van toonaangevende denkers, het aanbieden van inzichten uit gezaghebbend onderzoek, hen blootstellen aan een voor hen ongebruikelijke manier van kijken naar het werk, of het inzetten van creatieve werkvormen zijn alle manieren om een bottom-up aanpak naar vernieuwende uitkomsten te leiden.

Annemarie Mars, juni 2013

Lees meer →

Waarom dijen organisatieveranderingen uit?

Organisatieveranderingen kunnen de neiging hebben om gaandeweg in omvang toe te nemen. Tijdens de rit komen er steeds meer zaken bij die ook moeten mee veranderen. Met elke uitbreiding groeit de complexiteit, neemt het overzicht en de vaart af en raakt het te bereiken eindpunt steeds meer uit zicht. Het gevolg is dat de verandering ofwel mislukt, ofwel met teleurstellende uitkomsten, vertraging en/of kostenoverschrijdingen de eindstreep bereikt.

Om die schade te voorkomen is het belangrijk te beseffen hoe dat uitdijen komt. Dat is het onderwerp van het blog van deze maand. (meer…)

Lees meer →